28 juni 1914: de lont aan het kruitvat

Algemeen wordt de moord op kroonprins Franz Ferdinand van Oostenrijk, op 28 juni 1914 in Sarajevo, aanzien als de start van de Eerste Wereldoorlog. In werkelijkheid waren de voorbereidingen al veel langer bezig. Ondanks de vriendschappelijke en familiale banden tussen de Europese grootmachten waren zij tegelijkertijd bezig met de oorlogsvoorbereidingen. In werkelijkheid was dit eerder 'de lont aan het kruitvat'.

Er waren al decennialang kleine oorlogen en grote aanvaringen tussen de Europese landen. Oostenrijk-Hongarije, Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland en Rusland speelden hierin een belangrijke rol. Oorzaken van hun rivaliteit was de economische expansie, de wedloop naar kolonies, het streven naar militair prestige en dat aangewakkerd door alom aanwezige opstoten van nationalisme. Zelfs de familiale banden tussen de grote Europese vorstenhuizen konden daaraan niets veranderen. Nationalistische politici kregen hoe langer hoe meer aanhang. Door de industriële revolutie was een gigantische wapenwedloop mogelijk geworden.

Absolutisme in een veranderende samenleving

Na de Franse Revolutie (1789) en de nederlaag van de Franse keizer Napoleon Bonaparte kwam er in heel Europa een conservatieve restauratie op gang. Dankzij een uitgekiende huwelijkspolitiek versterkten de keizers en koningen hun macht.

In 1900 waren bijna alle gekroonde hoofden in Europa familie van elkaar. De grote protagonisten van de Eerste Wereldoorlog, de Duitse Keizer Wilhelm II, tsaar Nicolaas II van Rusland en de Britse Koning George V waren volle neven van elkaar en waren allen kleinkinderen van de legendarische Queen Victoria. Via de Saksen-Coburgs waren ze bovendien ook nog verwant aan Koning Albert I van België, Koning Manuel II van Portugal en Koning Ferdinand van Bulgarije.

De macht van de koningen en de adel was echter tanende. De traditonele landbouwsamenleving evolueerde snel naar een industriële samenleving en een trek naar de stad. Daar groeiden het proletariaat en de middenklasse, wat zich vertaalde in nieuwe politieke overtuigingen zoals socialisme en nationalisme. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was er zelfs een zeker oorlogsenthousiasme dat uiteindelijk zelfs een aantal socialistische partijen overstag zou laten gaan om ook voor de oorlogskredieten te stemmen.

Van links naar rechts staan: Koning Haakon VII (Noorwegen) – Koning Ferdinand (Bulgarije) – Koning Manuel II (Portugal) – Keizer Wilhelm II (Duitsland) – Koning Georgios (Griekenland) en onze koning Albert (België). Zittend: Koning Alfonso XIII (Spanje) – de nieuwe Koning George V (Groot-Brittanië) en Koning Frederik VIII (Denemarken).

De wedloop naar kolonies

De kolonies boden voor de leidinggevende machten in Europa, net als in de Verenigde Staten en Japan, twee voordelen. Ze waren een belangrijke bron van grondstoffen en ze vormden potentiële afzetmarkten.

Hoewel de wedloop naar kolonies duur uitviel, veel kolonisten er het leven bij lieten en de koloniale rijkdommen meestal geëxploiteerd werden door privéondernemingen, deden de Europese regeringen er alles aan om hun rivalen bij te blijven.

De koloniale expansie kwam echt op dreef in de tweede helft van de 19de eeuw: in 1870 controleerden de Europese machten zo’n 70% van de wereldbol, in 1914 al 85%. Ze concentreerden zich vooral op Afrika, dat eerder aan kolonisatie ontsnapt was.

Industrialisatie en wapenwedloop

In de 19de eeuw speelden zich enkele belangrijke industriële omwentelingen af: de uitvinding van de stoommachine, van de elektriciteit en van de verbrandingsmotor. Deze ontwikkelingen leidden tot een grote verandering in de maatschappij. Zo werd het mogelijk om op een efficiëntere manier grondstoffen te ontginnen en een grootschalige industrie op te bouwen, zoals de staalindustrie. Het belang van de rubber- en aardolievoorraden groeide exponentieel. De exuberante winsten die koning Leopold II maakte met het rubber in Congo, zorgen voor animositeit bij Groot-Brittannië. Zowel het jonge Duitse Rijk als Groot-Brittannië aasden op de pas ontdekte olievoorraden op het Arabisch schiereiland, dat voor 1914 nog in handen was van het Ottomaanse rijk.

Ook de productie van wapensystemen veranderde hierdoor grondig, zowel in de meer verfijnde, als in de zware wapenindustrie. Grote staalreuzen als Schneider-Creusot, Krupp, Skoda, Vickers-Viscount, enz. slaagden erin om grote wapens te maken en reusachtige schepen te ontwerpen. Groot-Brittannië, al meer dan een eeuw alleenheerser op alle oceanen, kreeg geduchte concurrentie van Frankrijk, Rusland, Japan en Duitsland. Zowel Duitsland en Frankrijk bewapenden zich ook met steeds grotere kanonnen. Hierdoor konden ze hun uitgebreide kolonies beschermen, de handel veilig stellen en evenveel militaire macht behouden als hun buren. Geen enkel land gunde een ander een onbetwist militair voordeel. Wapens werden steeds krachtiger, dodelijker en in grotere hoeveelheden beschikbaar door standaardisering en productie aan de lopende band. Bij het begin van de 20ste eeuw bleek Groot-Brittannië ter zee en Duitsland te land militair superieur te zijn.

In de 19de eeuw veranderden bovendien de vervoersmodaliteiten grondig: waar vroeger alles met hand- of paardenkracht moest vervoerd worden, werd sinds 1835 in grote delen van Europa een spoorwegnet uitgebouwd. Door de komst van de automobiel in 1896, werd de mobiliteit groter en werd het wegennet sterk verbeterd. Vooral het spoorwegennet zou een grote rol spelen voor troepentransporten tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Frankrijk wil zijn gram halen tegen Duitsland

Frankrijk was sinds de Franse revolutie bijna een eeuw lang het toneel van revoluties en contrarevoluties geweest, met een opeenvolging van consuls, keizers, koningen en presidenten.

In 1871 verloor het leger van keizer Napoleon III de oorlog met de Duitse Bond. Het verloor Elzas en Lotharingen en daarmee een groot gedeelte van zijn opstartende industrie. Daarnaast was er natuurlijk ook het enorme gezichtsverlies tegenover een steeds sterker wordend Duitsland. Defaitisme maakte stilaan plaats voor nationalistische opstoten en revanchisme: de nederlaag van 1871 moest in bloed gesmoord worden.

Duitsland daarentegen was een triomferende natie. Pas enkele jaren verenigd onder de ijzeren kanselier Bismarck strekte het immense land zich uit tot in het huidige Rusland (Polen bestond immers nog niet). De staat werd gemoderniseerd volgens een sterk gecentraliseerde en militaristische Pruisische cultuur. Het land industrialiseerde bliksemsnel en wilde de hegemonie over Midden-Europa verwerven. Duitsland bezat echter zelf weinig eigen grondstoffen en had ook geen kolonies waaruit het deze kon putten. Door een sterke imperialistische politiek, ondersteund door een groeiende oorlogsvloot, kwam het in conflict met de grote Europese kolonisatoren Groot-Brittannië en Frankrijk, en in mindere mate ook met België.

Rivalen en bondgenoten

Al in 1882 verbond het Duitse Keizerrijk zijn lot aan dat van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie en werden ze samen de ‘Centralen’ genoemd. Nadien sloten zij ook een triple-alliantie met het net ééngemaakte Italië. De afspraak was dat indien één van deze staten aangevallen zou worden, de anderen ter hulp zouden komen. Dit paste volledig in de strategie van keizer Wilhelm II om van Duitsland de leidinggevende Europese macht te maken.

Ook Frankrijk nam zijn voorzorgen en ging in 1896 een entente aan met Rusland, met een geheim militair verdrag dat ook wederzijdse en onmiddellijke bescherming afdwong. Dit was een doorn in het oog van Duitsland. Keizer Wilhelm II kon zijn overzeese bezittingen niet uitbreiden omdat er nog maar weinig landen gekoloniseerd konden worden. Daarom koesterde hij ambities om het Duitse territorium uit te breiden tot in het door Rusland gedomineerde Oost-Europa, wat door de entente de aanzet zou zijn tot een oorlog met Frankrijk, de bondgenoot van Rusland.

Ook in de kolonies broeide er wat: in 1898 dreigde een oorlog tussen Groot-Brittannië en Frankrijk toen een Franse expeditie optrok naar Fasjoda, een stad in de Britse kolonie Soedan. Soms werd ook indirect actie ondernomen. Zo voerden de Boeren van Zuid-Afrika in 1899 een langdurige onafhankelijkheidsoorlog tegen Groot-Brittannië, met steun van Duitsland. Vijf jaar later, in 1904, ging de Franse president nog een 'entente cordiale' aan, deze keer met Groot-Brittannië, teneinde de Franse en Engelse belangen in Afrika samen te verdedigen tegen het Duitse imperialisme. In 1905 was er een eerste conflict over het Franse protectoraat Marokko, dat zich in 1911 nogmaals herhaalde, met het onwelkome 'bezoek' van o.a. een Duitse kruiser 'Panther' in Tanger. Duitsland wilde op deze manier de Franse heerschappij van grote delen van Marokko betwisten. Beide incidenten liepen op een sisser af, de vrede leek gered... maar toen ontplofte de Balkan.

Het kruitvat van de Balkan

De Balkan vormde al eeuwenlang een slagveld tussen het Ottomaanse Rijk en het Oostenrijks-Hongaarse Rijk. Beide grootmachten lagen echter op apegapen. Ondanks de relatieve godsdienst- en taalvrijheid kwamen steeds meer volkeren in opstand tegen de Ottomaanse heersers en veroverden territorium op het Turkse Rijk. Het eerste land dat zich afscheurde was Griekenland (1829), anderen volgden: Bulgarije en Montenegro (1878), Roemenië (1881) en Servië (1882).

In 1908 annexeerde Oostenrijk de landstreken Bosnië en Herzegovina, die bewoond worden door een grote Servische minderheid (ruim 40 %). Ook andere landen voelden zich hierdoor aangespoord om expansionistische eisen te stellen, wat leidde tot twee bloedige Balkanoorlogen in 1912 en 1913.

Een kogel veroorzaakt een wereldbrand

De in oorsprong vrij amateuristische aanslag op kroonprins Franz Ferdinand, op 28 juni 1914, leek in het begin helemaal geen internationaal probleem te vormen. Deze aanslag werd oorspronkelijk door de directbetrokkenen beschouwd als de start van weer een Balkanoorlog, de derde, ditmaal tegen Oostenrijk-Hongarije. Er waren in het laatste decennium dan ook meerdere politieke aanslagen geweest. Maar niets was minder waar…

Oostenrijk-Hongarije, gesteund door Duitsland, verdacht Servië ervan rechtstreeks bij de moordaanslag betrokken te zijn. Het stelde Servië, dat zelfs niet eens betrokken partij was, voor een ultimatum op 23 juli. Op 25 juli 1914 raakte alles in een stroomversnelling. Servië gaf aan alle punten van het Oostenrijks ultimatum toe, op één na: dit zou immers neerkomen op de militaire annexatie van Servië. Zoals het wellicht de bedoeling was, verklaarde Oostenrijk-Hongarije, voorzien van Duitse steun, hierna de oorlog aan Servië op 28 juli 1914.

Servië had zijn lot ondertussen vastgeklonken aan de grote Slavische buur, Rusland. De Russische tsaar Nicolaas II en zijn minister van oorlog stemden in met een gedeeltelijke mobilisatie van hun troepen om Servië te beschermen. Daarop kwam Frankrijk in actie, dat Rusland immers moest bijstaan. Ondertussen was de spanning tussen de twee allianties zo hoog opgelopen dat de minste wrijving tot een oorlogsconflict leidde.

Op 29 juli werd de Duitse zeemacht gemobiliseerd. Twee dagen later kondigde het Duitse opperbevel de algemene mobilisatie af en eiste Duitsland vrije doorgang door België en Luxemburg. Koning Albert van België weigerde resoluut, hierbij gesteund door Groot-Brittannië en Frankrijk.

De Duitse troepen vielen Luxemburg binnen op 2 augustus. Op dezelfde dag stelde Duitsland België voor een ultimatum: de Duitse troepen moesten ongehinderd over Belgisch grondgebied kunnen trekken om een eventuele Franse aanval op Duitsland te verhinderen. Op 3 augustus verwierp België het ultimatum en kreeg het de bevestiging dat Groot-Brittannië en Frankrijk de neutraliteit van België desnoods gewapend zouden garanderen.

Vier jaren van donkere oorlogsellende waren begonnen.

Meer lezen
  • Geert Mak, In Europa, uitg. Atlas Antwerpen-Amsterdam, 2004.
  • Sophie De Schaepdrijver, De groote oorlog: het Koninkrijk België tijdens de eerste wereldoorlog, uitg. Atlas Antwerpen-Amsterdam, 1997.
  • John Lukacs, Een korte geschiedenis van de 20ste eeuw, uitg. Bert Bakker 2013.
  • Jacques Pauwels, De grote klassenoorlog 1914-1918, Antwerpen 2014.
  • www.wikipedia.be
  • www.google.be

Liebrecht Salen (voor de werkgroep Oorlog & Vrede). Dit is het eerste hoofstuk van Bierbeek 1914-1918 hoofdstuk 1, blz 14 tot en met 17.