De weggevoerden van Opvelp

In 1916 was de Eerste Wereldoorlog twee jaar bezig. In Duitsland was er een groot tekort aan arbeidskrachten, de actieve mannelijke bevolking bevond zich immers onder de wapens. In het bezette België was er echter nog een arbeidsoverschot. Omdat ze niet vrijwillig kwamen, begon met eind 1916 Belgische mannen op te pakken voor dwangarbeid in Duitsland.

In 1914 liep de industrie in Duitsland vast bij gebrek aan de nodige werkkrachten, want de arbeiders waren opgeroepen voor militaire dienst. De oogst op de velden in Duitsland werd rot op het veld, omdat er geen volk was om hem in te halen. In het eerste jaar 1914 werden er al 700.000 Duitse soldaten terug naar Duitsland gehaald om mee te helpen voor het binnenhalen van de oogst. In het bezette België viel ondertussen de ene fabriek na de andere stil omwille van de beperkte in- en uitvoermogelijkheden.

De Duitse regering stond voor een paradoxale situatie: in de Heimat was er een groot tekort aan arbeidskrachten en 200 km westelijker in het bezette België waren er zoveel werklozen. Om vat te krijgen op de situatie begon de bezetter met het aanleggen van lijsten van de zogenaamde 'Arbeitslosen '. Zoals gebruikelijk maakte de Duitse bezetter gebruik van twee- of drietalige affiches om zijn beslissingen bekend te maken aan de bevolking.

Eerst probeerde de Duitse overheid werklozen uit de bezette gebieden te lokken voor tewerkstelling in Duitsland. Met allerlei beloften, zoals hulp aan families, hoopte men voldoende werkkrachten te kunnen aantrekken. Slechts 30.000 landgenoten gingen in op deze oproep. Overigens kan men zich over het 'vrijwillig' karakter van dit engagement terecht vragen stellen als je weet dat de meerderheid van de Belgische gezinshoofden geen inkomen had en dat er toch eten op tafel moest komen voor het gezin.

Daarenboven was er de beperkte financiële steun aan de armste vrijwilligers en het bezorgen van voedsel door de voedselcomités. Hierdoor werd de ergste nood gelenigd. En dat werkte de Duitse autoriteiten op de zenuwen en noopte hen tot meer ingrijpende maatregelen.

De verordening van 3 oktober 1916

Met een verordening van 3 oktober 1916 dwong de militaire overheid de gemeentebesturen om lijsten van alle mannelijke steuntrekkers te bezorgen. Deze moesten minimum 17 jaar oud zijn (geboren voor of in 1899) en werkloos, behoeftig en ten laste van een derde. Gezinshoofden kregen in het algemeen vrijstelling en ouderen, zieken en invaliden ontsprongen de dans. Als de gemeente niet over zo'n lijst beschikte, moest men er aanstonds een opstellen. Op veel plaatsen weigerden de gemeentebesturen de lijsten af te geven of mee te werken. Hierdoor werd de werving serieus vertraagd. Vaak waren deze werklozen door de gemeente zelf tewerkgesteld. Ook probeerden burgemeesters, pastoors en andere notabelen mannen aan bewijsstukken te helpen teneinde een vrijstelling te krijgen.

Uiteindelijk werden in november alle werklozen opgeroepen, dorp per dorp, meestal in de kantonshoofdplaats. Dit moest gefaseerd gebeuren omwille van logistieke redenen: er moesten genoeg militairen zijn om de selectie te doen en de openbare orde te garanderen en voldoende treinen om de 'vangst' te transporteren. De treinen moesten ook vol vertrekken: als er onvoldoende mannen kwamen opdagen, gingen militairen de straat om alle mannen op te pakken die volgens hen in aanmerking kwamen.

Tot slot waren sommige Duitse commandanten iets ijveriger dan anderen. Voor dit soort mensen was elke op straat aangetroffen man een potentieel weggevoerde: ook gezinshoofden, kostwinners voor weduwen en wezen, studenten of zelfs scholieren werden opgepakt. Het was immers aan de opgepakte zelf om te bewijzen dat hij niet tot de beoogde categorie behoorde. Voor Opvelp en andere gemeenten in het kanton Tienen was de oproeping vastgesteld op 21 november 1916. In Aarschot was dit op 24 november, in Diest op 26 november. De plaatselijke commandanten waren bijzonder concentieus en lieten er geen gras over groeien. Dit in tegenstelling tot hun collega in Leuven, die de opeisingen in zijn kanton – waartoe Bierbeek, Korbeek-Lo en Lovenjoel behoorden – nog even op zijn beloop liet.

Wie werd opgeëist voor tewerkstelling in Duitsland?

Alle mannen van minstens 17 jaar oud; werkloos, behoeftig en ten laste van een ander. Het was aan de betrokkene om te bewijzen dat hij niet tot deze groep behoorde. Zieke en mindervaliden werden naar huis gestuurd. We kunnen bij deze selectie toch wel de nodige vraagtekens plaatsen. Het waren Duitse militairen die moesten bepalen wie wel of niet aangeduid werd voor deportatie, waarschijnlijk een beetje op het zicht. In totaal werden 64 mannen onder dwang weggevoerd naar Duitsland op 21 november 1916. De oudste was 44 jaar oud, daarnaast waren ook vijf 17-jarigen bij, 8 waren gehuwd en 58 ongehuwd.

Je vindt de namen van alle weggevoerden in de namenlijst.

Protest

De deportaties lokten hevig protest uit. Plaatselijke notabelen gingen bij de Duitse commandant bepleiten om aan bepaalde mannen vrijstelling te verlenen wegens gezinslast of omdat hij werk had. Soms kon men op die manier iemand thuishouden.

In België kwam het zwaarste protest van de Aartsbisschop van Mechelen-Brussel, kardinaal Mercier die generaal Von Bissing in verschillende brieven (19 oktober, 10 en 29 november) in niet mis te verstane woorden van woordbreuk beschuldigde. Ook andere instanties reageerden furieus: alle rechtbanken, de vakbonden, de rectoren van de Belgische universtiteiten, de socialistische internationale, enz. Ook de in België achtergebleven senatoren en volksvertegenwoordigers, waaronder de Leuvense burgemeester De Becker-Remy, lieten stevig protest horen. Ook de Belgische regering in ballingschap protesteerde fel en stuurde tegelijkertijd ook een protestbrief naar de neutrale landen.

Er kwam ook internationaal protest tegen deze gedwongen tewerkstelling. Deze was immers in strijd met allerlei internationale verdragen en de Conventies van Den Haag. Een hele reeks landen, waaronder de Verenigde Staten, sloten zich aan bij het protest. Duitsland had immers de Vierde Conventie van Den Haag (1907) mede ondertekend. De Spaanse ambassadeur, de markies de Villalobar, kreeg zelfs de belofte van de Duitsers dat er slechts 250.000 mannen gedeporteerd zouden worden. Dit alles leidde ertoe dat ook in Duitsland de oppositie tegen de verplichte tewerkstelling toenam. Aanvankelijk waren het vooral de vakbonden en de Duitse socialistische partij die protesteerden. Uiteindelijk zou een meerderheid van de Duitse verkozenen zich tegen de militairen keren.

Vanaf het einde van 1916 begonnen de deportaties te vertragen. Dit had niet zozeer met de bovenvermelde protesten te maken maar vooral logistieke problemen: de verzamelkampen, zoals dat van Meschede, waren volgelopen. De doorstroming naar effectieve tewerkstelling verliep stroef en chaotisch. Vele mannen waren niet in staat het opgelegde werk uit te voeren, omdat zij te oud, te jong, te ongeschoold of gewoon niet in staat waren om te werken. Daarenboven verstonden de meeste Belgen geen Duits, konden zij de gegeven instructies niet opvolgen of deden ze alsof. In het kamp van Meschede was zelfs sprake van een georganiseerde staking.

Het kamp van Meschede

De mannen werden in Tienen opgepakt en op de trein gezet naar Duitsland. Zij reisden in een gesloten goederenwagon zodat zij niets konden zien. Ze werden eerst naar het verzamelkamp van Meschede gebracht, een krijgsgevangenenkamp in Nordrhein-Westfalen, 325 km van hier. Het dorpje aan de oevers van de Ruhr telde voor de oorlog slechts 3.000 inwoners. Algauw kwamen er meer dan 25.000 krijsgevangen soldaten terecht, vooral Fransen en Russen, later ook Italianen. Het kamp, ruim 10 ha groot, bestond uit 102 gebouwen, een watertoren, een transformatorhuis, een ziekenhuis en permanente gebouwen voor de 500 bewakers. Het werd bewaakt door een eenheid van het 18de Legerkorps uit Frankfurt.

Naarmate de oorlog vorderde, onderging het kamp van Meschede verschillende verbeteringswerken. Er werden keukens, wasserijen, een kantine en een kapel bijgebouwd, en diverse ateliers: een schrijnwerkerij, schoon- en kleermakersatelier, een bezembinderij, enz... Er werd zelfs een Frans hulpcomité opgericht, dat o.a. brood en levensmiddelen verspreidde, die opgestuurd werden vanuit Frankrijk. Het kamp fungeerde als 'modelkamp' voor krijsgevangenen: de foto's gaven een beeld dat in schril contrast stond met de dagelijkse realiteit.

De weggevoerden werden onder dwang verplicht om een arbeidscontract te ondertekenen. Niet alleen de kampomstandigheden waren slecht, vaak werden de weggevoerden ook het slachtoffer van militairen die hun 'contingent' werklieden wilden halen. Hierbij werd geweld niet geschuwd. Uiteindelijk kwamen de weggevoerden terecht in diverse fabrieken, zoals in de gipsmijnen van Neckarzimmern of bij de bouw van de zwavelfabriek met 10 hoogovens van BASF in Hassmersheim. Een aantal 'gelukkigen' konden al na enkele weken naar huis en keerden terug op de dag voor Kerstmis 1916. De laatste weggevoerde keerde pas terug op 7 juni 1918, anderhalf jaar later.

Een man, Petrus Vandevos, overleed in Duitsland in Eltville-am-Rhein (ten westen van Wiesbaden), waarschijnlijk in een lazaret of hospitaal. Over de oorzaken van zijn overlijden hebben we tot nog toe niets teruggevonden.

Gevolgen voor Opvelp

In 1916 waren er in Opvelp ongeveer 950 inwoners. De juiste verdeling mannen en vrouwen kennen we niet, maar laat ons er maar van uitgaan dat de helft van de inwoners mannen zijn, met de 44 gemobiliseerden en de 66 weggevoerden samen komen we aan 110 mannen.

Dit betekent dat 24,7 % van de mannelijke bevolking (baby’s en ouderen meegerekend) afwezig waren gedurende gans de oorlog omwille van militaire dienst ofwel gedurende een aantal maanden omwille van verplichte tewerkstelling in Duitsland. Uiteraard had dit grote gevolgen voor ondermeer de landbouwactiviteiten, zoals het binnenhalen van de oogst. Daarenboven werden een aantal families uit Opvelp ongemeen hard getroffen, soms werden verschillende broers weggevoerd of broers van soldaten die aan het front vochten.

In 1920 konden de weggevoerden of hun familie een schadedossier indienen bij de hoofdcommissie voor weggevoerden, opgeëiste en burgerlijke gevangenen. De meeste kregen als gevolg hiervan een vergoeding voor de stoffelijke schade en een soort pensioen voor de periode van dwangarbeid in Duitsland. Voor deze hoofdcommissie moest er een inlichtingenformulier ingevuld worden door de betrokkene zelf of zijn familie. De burgemeester moest op elk formulier een advies geven.

Daarnaast werd er ook in elk arrondissement een speciale oorlogsrechtbank ingericht (actief tot 1923). Hier kon iedere burger die op één of andere manier schade had opgelopen een schadevergoeding eisen. De meeste dossiers handelen over schade aan huizen en verlies van goederen. Ook de medische kosten als gevolg van de oorlogsomstandigheden konden aangegeven worden. In het Rijksarchief van Leuven zijn er 95 dikke bundels met alle vonnissen van deze rechtbank nog ter inzage. De vonnissen met betrekking op inwoners uit groot Bierbeek hebben we kunnen fotograferen en zijn opgeslagen in het digitaal archief van onze werkgroep.

Meer lezen

Michiels Edward (Chille); Opgeëiste en weggevoerde werkkrachten uit Boutersem tijdens de Eerste Wereldoorlog. Boutersem en Butsel, Kerkom, Neervelp, Roosbeek, Vertrijk, Willebringen.  Eigen uitgave, Boutersem, 2014.

Pol Vanden Bempt en Liebrecht Salen (werkgroep Oorlog&Vrede). Lees meer in ons boek 'Bierbeek 1914-1918', deel 3 blz. 186-195.