Getuigenis van René Huens, oorlogsvliegenier

Henricus René Huens werd geboren in Opvelp (Molensteen) op 2/04/1893. Hij werd in 1913 opgeroepen en was korporaal bij het 20ste Linieregiment. Hij werd gekwetst in oktober 1914 en werd verzorgd in het hospitaal van Santwood (GB). Daar volgde hij een vliegopleiding en was het laatste half jaar van de Eerste Wereldoorlog vliegenier. Hij bleef na de oorlog actief in de luchtvaartschool.

Interview met RENE HUENS

interview afgenomen door Alphonsine Nijs, Gilbert Ombelet – uitgeschreven door Theo Deweerdt

Ik was van de klas van 1913; wij hebben niet meer geloot, de klas van 12 nog wel; wij moesten allemaal soldaat worden. Ik was bijna aan het eind van mijnen term (dienst) en ik had al mijne congé (verlof) bijeengehouden, dat was iets van een drie weken. Wij moesten toen vijftien maanden dienen, maar ik had al de prijzen geschoten, zodat ik ongeveer drie weken congé had, die ik opgespaard had tegen het jachtseizoen. Goed, den eerste augustus kon ik in congé voor de jacht, ik haal mijne port d'armes (jachtvergunning) en den tweede augustus is 't toch wel geen oorlog, zeker. Ik kom in Vertrijk en daar peins ik nog, nu gaan we op dik wild moeten schieten en 't was zo ook .

Ik kom daarna in de kazerne, waar we moesten bijeenkomen en daar op de kazernekoer stonden wel honderd slijpstenen: ze waren allemaal bezig hun bajonet te slijpen zo scherp, dat ge er een haar kont mee doorsnijden. Die avond hebben we geslapen in de kazerne van 'Marie-Henriette'. Dat was juist rechtover de statie van Namen, aan dat plein. 's Anderendaags zijn we uit Namen vertrokken, naar een klein dorpje, ik weet de naam niet meer, het was op de weg naar Brussel. Daar hebben we op de kasseien geslopen. Nog een geluk dat het goed weer was, maar het was toch koud, zenne, zo 's avonds en we lagen op de stenen, he.

Vandaar gingen wij 's anderendaags naar een fort, maar daar lagen al mannen in. Dan zijn we moeten teruggaan naar 't Kwartier Darté. Daar zijn we een berg opgekropen en heb ik mijn eerste schot geschoten op vier Duitsers. Den eersten Duits op twee meter - dat deed maar vies - den tweede, dat was al beter, den derde nog beter en de vierde, dat ging ook goed. Ze waren met vieren en alle vier dood. Den eersten Duits stond neven een boom en ik zat tussen de straat en een haag, in de netels. De andere Duitsers waren zo een 20-30 meter achteruit. Twee uur later kwam daar een compagnie door en we zijn mee achteruit gegaan. Dan is alles weer stil geworden tot zaterdag 22 augustus.

Dan zijn we naar Marchin gegaan, in een tranche (loopgraaf), die we gegraven hadden, juist over het fort van Marchovelette. Toen zaten de Duitsers al tot daar. Den 23 augustus is er daar een bataljon Fransen aangekomen. Rond vijf uur kregen we orders om te 'attaqueren', om aan te vallen met de bajonet. Dat was op zo’n 100 a 120 meter van een bos, waarin de Duitsers zaten. Eerst moesten wij door een diepe holle straat,van wel zo’n 20 meter hoog. We waren de gracht opgeklommen aan een kasteel van d’ Arenberg. Boven moesten we de Vlaamse Leeuw en de Brabançonne zingen en dan door het veld lopen, recht naar het bos waarin de Duitsers zaten. Op zo een 50 meter van het bos, was daar een sentinel (wacht) geposteerd, op de zijkant van de talud, en die begon plots te schieten. Met den eerste chef en drie-vier soldaten zijn we der op afgegaan en die is direct gaan lopen. Wij sloten terug aan bij de anderen, die waren het bos al kort genaderd, tot op maar 25 meter. We waren pas bij hen of er begonnen drie mitrailleurs te ratelen. Den eerste, die gevallen is, was een onderluitenant, die pas van school was te Brussel. Dan zijn wij beginnen schieten met ons geweren. Ik had gezien waar de mitrailleurs stonden en ik heb mij helemaal links gehouden en die kogels vlogen naast mij door. Dat was op een klaverveld, klaveren, die omgeploegd waren, ge zakte er tot uw knieën in, ik kon bijna niet lopen, ik was helemaal uit den adem. Toen heb ik mij laten vallen, 'ne keer of vijf, zes .. dan terug recht, lopen, lopen en die kogels bleven maar vliegen. Toen wij op een vijfhonderdtal meter gesukkeld waren, schoten ze met kanonnen op ons; 't was dus maar weinig avance wat we deden. Wij terug naar waar we de talud opgekropen hadden en nu lieten wij ons eraf glijden. Het Kasteel van Arenberg hadden ze in brand gestoken, omdat die zo Duitsgezind waren. Den hele nacht heeft het geknetterd, 's morgens lag het helemaal in puin.

We hebben dan gelogeerd in de bloemmolen van Baie. 's Morgens, toen het klaar begon te worden, vlogen de kogels boven op het zinken dak. Dat lawaai maakte dat iedereen onmiddellijk klaar wakker was. Wij vertrekken terug naar Namen, waar we tegen den noen aankwamen. Aan het statieplein was er een gevangenis en daar was een majoor, die met ons te paard de stad wou doortrekken. Ineens begint er hoog boven op den berg een mitrailleur te knetteren, het paard schiet op hol, loopt weg en daar stonden wij, alleen. Wij besloten dan naar het fort van Malonne te gaan. Tegen dat we daar aankwamen was het weeral donker. De poort van het fort stond wagenwijd open, de soep was gereed om ‘t eten. De kanonniers en de Uhlanen waren al vertrokken. Wij dachten dat het zeker geen avance was van daar te blijven vermits ze bijna allemaal gaan lopen waren.

Wij besloten dan maar richting Frankrijk te trekken. In het begin waren wij maar met veertien-vijftien man, maar naargelang wij verder gingen, groeide ons groepje steeds aan en op den duur waren wij wel met 300! Dan zijn we in Maredsous aangekomen, dat is waar die paters zijn, die zelf hun bier brouwen. Op die plaats zijn we terug aangevallen door de Duitsers, zo rond tien uur. Iedereen van ons zat toen her en der verspreid. Ik ben 'ne jongen van Tamines tegengekomen, de zoon van de directeur van de 'Charbonnages des Eaux'. Die diende bij de kanonniers van Malonne. De ganse nacht hebben wij gegaan en gelopen. ‘s Morgens kwamen wij doodmoe aan in het volgende dorp (onverstaanbaar). dat was dedju maar een twee kilometer van waar we vertrokken waren! We 'hadden achteloos in cirkels gevoyageerd! We zijn dan maar aan de eerste woning gaan kloppen, maar den boer, die kwam open doen, zei ons dat we bij hem niet konden logeren, omdat de Duitsers de ganse streek uitkamden, op zoek naar verstekelingen. Wij zeiden dat we absoluut wilden blijven en we zijn ons dan maar in zijn schuur gaan verstoppen, tussen het stro op den tas.

's Noenens kwam hij terug vragen of we wilden vertrekken, maar we zeiden hem dat we nog geen goesting hadden en dat hij ons maar gauw eten moest brengen. Wij hebben dat zo een dag of twee kunnen uithouden. Toen we zeker waren dat er geen Duitsers meer te zien waren, zijn wij opnieuw vertrokken . Wij zaten niet ver van de baan naar Philippeville. Den boer was zo content geweest dat wij uiteindelijk wilden vertrekken, dat hij ons burgerkleren gegeven had. Voor mijne vriend 'nen tenue, die hij nog niet lang gekocht had voor 275 fr, 'ne schone voor dien tijd. Voor mij zijn oud trouwkostuum, dat weI zeker dertig jaar oud was. Het lobberde nogal rond mijn lijf, want dien boer was een stuk dikker dan ik en in plaats van zwart had het door den ouderdom eerder een groene kleur gekregen!

Wij waren zo rond negen uur vertrokken op de boerderij. Het duurde echter niet lang of we liepen pardoes in de armen van een bataljon Duitsers. Ze hielden ons onmiddellijk tegen, tastten ons af, maar vonden niets. We mochten verder gaan, maar wel richting Namen. Ze moeten er toch niet zo gerust in geweest zijn, want ze stuurden er ene met ons mee per fiets! Toen het bataljon uit het gezicht verdwenen was, begon dien Duits in het Frans te spreken, zo goed als wij verdorie. Hij zei ons dat hij in Parijs elk klein wegske kende, omdat hij de er een zevental jaar 'garçon de café' geweest was. Na een uurtje gestopt te hebben, zegt hij opeens tegen ons: nu gaan jullie zo (richting Namen) en ik zoo. Hij sprong op zijne fiets en reed weg . Ge kunt al denken dat wij daar ook niet lang gestaan hebben. Wij namen de richting van Charleroi en om een beetje de weg af te snijden, dachten wij door een bos te gaan. Toen begonnen de problemen opnieuw: we waren nog maar pas in dat bos of wij liepen terug op een groep Duitsers, die zich daar aan 't wassen waren. Ze hielden ons onmiddellijk tegen en we moesten mee naar de 'corps du garde'.

Daar stond hun tent naast een kapelletje en we moesten blijven slapen. 's Nachts hebben ze nog twee Belgen tegen gehouden en mee in de tent gestopt. 's Morgens, om vijf uur, als de dag in de lucht kwam, ging de klaroen: iedereen opstaan en de tent samenplooien. Op een half uur was iedereen gepakt en gezakt en konden wij vertrekken.

Den onderofficier bleef bij ons en zei: “Ik ga langs daar, gaat jullie langs daar”. Hij zei ook nog dat Namen allang gevallen was en Brussel en nog enkele steden. Als we dan uit het zicht waren, zijn we links afgeslagen, naar Brussel toe. Na 'nen tijd dolen zijn we uitgekomen, daar waar ze nu nog altijd crossen in een S (Francorchamps). Daar hebben we de weg gepakt op Tamines en dan zijn we aangekomen in Couillet. We landden daar aan bij de pastoor, die ons maar vies aanlonkte, zo een beetje spionachtig. Allez, al bij al waren we nog goed geland. We mochten wel geen lawaai maken, want op 't eerste verdiep sliep er 'ne majoor. ’s Anderendaags was die majoor al vroeg weg we hebben dan nog goed gegeten, een beetje gebabbeld en na negen uur zijn we dan terug vertrokken; voor 9 uur marcheerden we nooit en ook na 5 uur niet meer. Dan hebben we de Samber overgestoken; alle bruggen waren kapot gebombardeerd, maar met wat geluk zijn we toch over een geraakt, die maar half kapot was, op een legumenkarreke van een vrouwmens, die haar waar geleverd had in Tamines. Zeker een uur zijn we met dat karreke meegereden en dan zijn we afgegaan op de weg naar Brussel. Den avond daarna zijn we in Genappe aangekomen; daar zijn we naar de notaris gegaan , ik kende die. 't Was op 'ne zondag, we zijn naar de Mis geweest en we zijn daar heel goed ontvangen, goed gegeten en zo . .. en dan zijn we terug vertrokken.

Een mes of zoiets namen we nooit mee, het moest allemaal lijken alsof we op de vlucht waren. Toen we in Brussel aankwamen, moesten we zien een paspoort vast te krijgen. Hier bij ons bestond dat toen nog niet, maar daar hadden ze dat wel. We zijn naar een klooster gegaan, in 't volle van 't stad. Daar hebben we twee dagen geslapen en dan zijn we weer vertrokken, weeral op zo'n legumenkarreke, tot op de weg van Aalst, en zo verder om naar Gent te gaan. Nog voor we in Gent kwamen, in Melle, horen we schieten; de burgers liepen allemaal met grote schrik over de straat, geen een die wilde blijven staan! We probeerden te weten te komen wat er was, maar iedereen liep door; alleen een oude man, die pompaf was, zat daar aan de wegkant op zijn gat. "Awel", zegt hij, "de Duitsers zijn in vrouw verkleed en die schieten op ons!".

Dan zijn we gegaan tot in Deinze, daar zijn we de Leie overgestoken en hebben we terug geslapen. Daar over de Leie, daar waren geen Duitsers meer. Dan trokken we door naar de Hollandse grens, te voet tot boven Sint-Niklaas. Zo kwamen we in Antwerpen terecht en hebben wij eindelijk ons regiment teruggevonden!

Alles bijeen hebben wij zo'n veertien dagen gemarcheerd, zonder een frank in ons 'tes' (zak) en veel honger en kou gehad. Twee dagen later: de slag van de Marne. Wij voelden toen dat er ging aangevallen worden en er werd aangevallen ook! Zelfs tot in Leuven zijn we geweest . Hier in Leuven is toen nog 'ne lancier verongelukt in 't zavelkot: hij had niet gezien dat daar een gat was en hij was er met paard-en-al ingereden, gevallen en dood!

Dan moesten wij ons terugtrekken op Antwerpen. Daar hebben we nog zo'n veertien dagen gezeten en dan kwam den aftocht naar de zee. Daarbij passeerden we, vele kleine dorpjes, maar namen zagen we niet, omdat we alleen 's nachts marcheerden.

Op zekere nacht gebeurde er weer iets: we waren nog niet zover van Antwerpen en we hadden 'ne sentinel (wacht) uitgezet. Die werd doodgeschoten door de Duitsers ! Ja, hij was in slaap gevallen, hij had dan ook al drie nachten niet geslapen! Zijn geweer was niet geladen. Nen andere sentinel was ons dat komen zeggen (zijn geweer was ook niet geladen, maar hij had alles gezien).

Daarna hebben we nog in Wijnegem gelogeerd. Daar zijn we toegekomen tijdens de nacht. 's Nachts , als we marcheerden, mochten we niet praten, niet smoren (roken) en zeker geen lawaai maken, omdat we omsingeld waren en de Duitsers ons al voor waren! Te Wijnegem waren we eindelijk uit de Duitse linies. Daar hebben we ons neergezet tegen een huis; 's nachts is er een keer op ons geschoten. Vervolgens zijn we aangekomen in Oostende, waar we drie dagen gebleven zijn , gegeten en gelopen hebben.

Zo waren we dan aan den lJzer beland. Juist voor Diksmuide, op een hoogte, stond er een windmolen. Van daarop kan men ver zien en dus moesten we trachten die post te veroveren. Er waren toen al Franse troepen bij ons, die zaten rechts van de molen, wij links. De commandant, die was weer achteruit, hé .. en vandaar schreeuwde hij van 'die secteur en die secteur vooruit' maar toen is er een generaal met een goed blad (die het goed kon zeggen) naartoe gegaan en hij heeft hem gezegd dat als hij den troep niet vervoegde, hij zou worden doodgeschoten. We hebben hem achteraf niet meer gezien, hij was dood.

Dan zijn we terug wat moeten achteruit gaan tot voor Diksmuide en daar dan de tranches (loopgraven) in. 's Anderendaags attaqueerden de Duitsers ons, met vijf rijen soldaten, in linies (onverstaanbaar). Daarvan zijn er niet veel levend gebleven, maar als ze nog ' ne keer geattaqueerd hadden , had den wij geen cartouche meer ! 's Avonds zijn we achteruit gegaan, terug achter Diksmuide , achter den lJzer. Die is daar maar negen meter breed, maar de bruggen waren allemaal kapot. Daar hebben wij dan bijna vier jear gezeten. Het was daar geen leven : drie dagen voorposten, aan den lJzeren weg ... dat was de lijn Nieuwpoort-Diksmuide.

De kant van den IJzer was helemaal onder water, plekken met veel water, plekken zonder water. Daar hebben we dan een dag of acht voor den eerste keer samen met de Fransen in de tranches gezeten. Daarna zijn er nog Fransen bijgekomen, zodat wij ' ne secteur hadden tot in Reiningen (tegen leper). In leper zaten de Engelsen. Op 'ne nacht, bij Diksmuide in de tranches , ben ik iemand uit Bierbeek tegengekomen,' ne zekere Beelen, samen met 'ne journalist. A propos, Jules Bischop, van Neervelp, die is ook gesneuveld aan den lJzer. Wij lagen bij leper, toen de Duitsers den eerste keer met gas geworpen hebben, dat was nog eens een spel ... Ze dachten ons met dat gas te versmachten, maar een geluk voor ons dat de wind plots draaide en de Duitsers hunnen bazaar direct terugkregen! In Perwijze en Ramskapelle zaten de Duitsers zoo een 2-3 km van ons af en daartussen stond bijna alles onder water. Den 30 oktober 1916 ben ik geblesseerd geraakt; bij een aanval met de bajonet, werd ik in mijn hand geschoten, door de mouw van mijn vest .(onverstaanbaar). Den 30 oktober was eigenlijk de laatste dag dat daar menens gevochten is. Door mijn kwetsuur ben ik drie maand in Engeland in het militair hospitaal geweest en zo kwam er voor mij een eind aan de oorlog in de loopgraven .

Voor den oorlog en in het begin van de vijandelijkheden moest ge, als ge piloot wilde worden , naar Engeland gaan om een brevet te halen, maar dat kostte toen al 6000 frank! Zoveel kon ik niet betalen; dat was goed voor baronnen en graven of iemand, die goed voorzien was van geld. Maar naar het eind van den oorlog toe, was er meer vraag naar vliegeniers, er werden volontairs (vrijwilligers) gevraagd en ik heb mij dan opgegeven.

In juli 1917 heb ik vliegschool gevolgd tegen Parijs, daar in de omgeving, waar nu het vliegveld 'Le Bourget' is. Daar ben ik zes maand geweest, ik geloof dat die plaats toen Juvésy heette. In alle geval weet ik nog dat daar op dat vliegveld Pedrain en Bertrand leren vliegen hebben in het jaar 1905. Dat was daar dus de vliegschool. Den eerste en den tweede dag waarde gij daar en konde enkel gaan eten, slapen en opstaan en vooral kijken, wanneer ze aan 't vliegen waren. Den derde dag hing er aan de deur een affiche met de namen op: de moniteur (lesgever) bovenaan en de leerlingen er onder. Zo wist ge bij wie ge moest gaan. We hadden daar vier pleinen om ons te leren vliegen , want alles moest eigenlijk nog rap gaan ook , ze had den veel piloten nodig, he. Er waren dagen, dat er 150 afgeschoten werden, Duitsers, Fransen en Engelsen ... als het weer een beetje goed was, in de zomer, bij heldere lucht, waren het er zelfs over de 150 !

Voor we gingen vliegen, moesten we ook nog bij de pastoor komen, om te weten welk geloof we hadden, voor het geval we naar beneden stuikten en ze ons moesten begraven !

In de vliegschool van Juvésy werden er alle vijf-zes maand zo'n 30 à 40 jonge piloten opgeleerd. Met zes moniteurs ging dat heel gemakkelijk en snel; ieder kreeg een kwartier om samen met de moniteur te vliegen; daarbij werd de lijst strikt gevolgd, zodat iedereen even veel de lucht in kon . Daarna rustten de moniteurs. In den achternoen vlogen we terug een kwartier.

Den eerste keer dat wij vertrokken zei de moniteur: "Luister,dat is om rechts te gaan, dat is voor links, dat is voor rechtdoor, dat is om te dalen en dat is om omhoog te gaan. Nu ga ik 'nen toer maken en gij houdt de 'commande' (stuurknuppel) vast, om te zien wat ik doe, als we vliegen".

We vertrokken: ik hou dat vast, stilletjes maar, want als hij schudde, moest ik lossen. Den toer was gedaan en hij landt, heel zoet... Ik dacht in mijn eigen "Als dat vliegen is, zal ik het gauw kunnen!". Den tweede keer, we waren goed boven en ... "Allez, trekt uwe plan" zei hij en hij liet de commande los. Ik deed zoals hij eerder gedaan had, maar die 105 kg van ons twee erin, dat woog! Ik kon maar tot 100 km/uur geraken om den toer te maken. Dat machine had maar 57 pk en die deden maar pakweg iets boven de 80 per uur. Ik heb het zelfs meegemaakt dat de wind feller was dan de vitesse (snelheid) van ' t vliegmachien, zodat ik achteruit vloog! Den eerste keer deed dat verdorie vies! Ge wist niet wat er gebeurde, maar dan zag ik den 'indicateur' (aanduiding), die de vitesse aanduidde .. De vitesse deed ge altijd volgens de wind, want de wind hield tegen, maar op dat moment had ik het toch maar schaa (schuw ) in het zicht, ze hadden mij daar niks van gezegd, he!

We hadden dat zo‘n drie keer gedaan: twee keer op en af, en we komen terug op de grond; ik zet mij recht om uit te stappen en ik schakel de vlieger uit.

" Nondedju", zegt hij "zo niet he. Ge kunt uw plan wel trekken en alleen vertrekken".

Daarmee stapte hij uit en ik kon vertrekken!

Ik weg, rapper en rapper, de grond af, gedraaid en rechtdoor. Dat was heel goed verlopen, maar met dat gewicht minder was ik seffens op 500 meter hoogte en als ik draaide zag ik pas dat ik veel hoger was en daarom ben ik terug rechtdoor gegaan, om van verder terug af te komen. Dat is heel goed verlopen en ik was 'gelost'! Mijn 'commande' was gedaan. Ik heb er dan nog een 15 uur op gevlogen.

Dan deden we nog de 'Spirale verticale', draaien op een rayon van 50 m, dan terug omhoog en dan een 'Feuille morte': dat was eerst de motor op ralenti zetten en dan wachten ... dan terug 'piqueren' (duikvlucht), om weer vitesse te krijgen. Op een dag zegt mijne kameraad, 'ne zekere Vandevoorde van Vilvoorde, dat hij tot op 4000 m gegaan was, zijne motor stilgezet had, gepiqueerd en ... ' t had gepakt, de motor sloeg terug aan!

Goed, ik ging dat ook eens doen. Maar dat was godverdomme bij mij niet waar. Ik had een moteur fixe en die pakt niet; 'ne moteur rotary, die pakt wel, daarbij draait de motor mee rond met de schroef. Daar zat ik zonder motor; ik was ver van de plein gegaan, mijn machine planeerde (zweefde) dertien keer zijn hoogte, d.w.z. als ge 1 km hoog zat, konde daarmee 13 km ver zweven, weI te verstaan als er geen wind was. Ik was ' t plein aan ' t zoeken en toen ik wist waar het was, ik erop af. Ik dacht: "Ik mag toch op het plein, zelfs als er een andere afkomt, want ik zat zonder moteur en ik kan niet uit de weg, he“. Maar, ik geraakte niet tot aan 't plein, wel in een stuk patattenveld. Juist ervoor, daar zat ik al aan de grond, ik had maar een wiel kapot van de vier. De chef van ' t plein zei “Awel joeng , wat hebt. ge gedaan?". "Ik ben stilgevallen en terug afgekomen" zeg ik. "Awel proficiat" zegt hij "goed gedaan”.

’s Anderendaags zat ik al op een ander vliegtuig, een machine dat al rapper ging ... en zo altijd rapper en rapper. Zo had ik op 't laatste op vijftien soorten machines geweest aan 't front. Die gingen al wel zo'n 350 a 400 km per uur - de jachtmachines wel te verstaan. '

Nog zo een voorval: ik kom af in ralenti, t.t.z. de moteur deed zo'n 900 toeren; 600 toeren was om te dalen en 300 toeren was als men 'ging zitten'.

Ik kom op de grond en ik wil mijne moteur op 300 toeren zetten, maar het ging niet! De kabel was kapot en ik zat daar ondertussen avanceerde ik nog altijd natuurlijk. Ten lange leste zou ik nog in de bomen terecht komen en ik doe zo (gebaar naar beneden) en hij komt terug op de grond terecht, omdat hij geen vitesse meer had en ik recht de struiken in!

Godverdomme , ik ga in mijn oren krijgen, dacht ik. De commandant van ' t plein komt eraan. "Goed gemanoeuvreerd" zegt hij , "maar hoe komt het dat ge die vitesse gehouden hebt?". Ik leg hem uit hoe ik geduwd en gedaan heb aan de hendel, maar 't ging niet. Hij ging kijken en ja, die kabel zat vast, van de schok .

En zo ging dat dan van den ene op den andere, altijd rapper en rapper.

't Derde vliegtuig waarop wij vlogen was eene Caudron, daar moest ge de acrobatie mee leren, zoals een looping , het 'renversement' (recht omhoog en dan op ene kant afkomen) , den 'tonneau' (rolvlucht) en de 'feuille morte' (zonder motor).

Dan volgden de schietoefeningen, ook niet zo simpel, want de mitrailleurs waren op 't toestel vastgeschroefd, zodat ge in plaats van met de mitrailleurs met 't toestel zelf moest mikken!

Na een drie weken te hebben geoefend, werd ik verplaatst naar 't front, aan de Frans-Belgische grens, naar ’t vliegveld 'Les Moëres' (de Moeren), bij de kust in Frans-Vlaanderen. Elke dag opstijgen en de vijand opzoeken. Als we in escadrille vlogen, met twaalf in formatie, haalden wij dagelijks toestellen neer. Na anderhalf uur moest er geland worden om te tanken. Kwam er een vijand op u af, dan was het gevecht kort en hevig. Persoonlijk heb ik drie vijandelijke vliegtuigen de grond ingeboord. Het was vooral de kunst om aan te vallen uit een wolk, met de zon in de rug. Als ge dat kon, mocht ge bijna zeker zijn dat uwen aanval lukte.

Op 30 juli 1918 waren ze mij echter te vlug af. Toen ben ik afgeschoten door de Duitsers , op 6000 meter hoogte. Ik ben dan afgekomen tot op zo ne meter of zes van 't water tussen den IJzer en de tranchés van de Belgen. Ik heb mij verstopt in 't riet tot 's avonds elf-twaalf uur. Eerder kon ik er niet uit komen, want ik zat nog geen honderd meter van de Duitsers af! Ja, daar heb ik toen kou gehad, zenne, maar 't was toch nog goed afgelopen.

Als herinnering aan dat avontuur heb ik nog een stuk van de houten schroef bewaard van mijn machien .

Nvdr: Begin september 1916, kort na de hevige aanvallen op het Belgische vliegveld van Koksijde, startte het Belgische Leger met de aanleg van een vliegveld op de weiden van de familie Bruynooghe in De Moeren, vlak over de Franse . In december 1916 streek het 1ste Smaldeel hier neer. Later week ook het 2de Smaldeel en het 3de Smaldeel (eind mei 1917) uit. De Moeren was de uitvalsbasis van Belgiës grootste 'aas' Willy Coppens (37 overwinningen) en ook Jan Olieslagers vloog hier. Ook de beroemde Franse vliegenier Georges Guynemer vloog geregeld op het vliegveld van De Moeren.

De Winter, J., Piron, J., Vanderwegen, C. De Eerste Wereldoorlog te Bierbeek, Korbeek-Lo, Lovenjoel en Opvelp. Bierbeek 1984.