Jef Cockx: "Breendonk was het ergste, dat was de hel".

Petrus Joseph Cockx – iedereen zegt “Jef” – heeft een halve eeuw gezwegen, maar in maart 1994, toen hij 75 werd, heeft hij de vreselijkste periode uit zijn leven op cassette gezet. Hij vertelde wat er met hem gebeurde toen hij als weerstander aangehouden werd, op 9 december 1943.

“Ik dacht vroeger altijd dat het beter was van maar te zwijgen omdat de mensen me toch niet zouden geloven”, zegt hij. “En het had, vond ik, ook weinig nut al die oude miserie weer boven te halen. Ook als wij als ex-weerstanders en politiek gevangenen bij elkaar zijn, hebben we het zelden of nooit over het verleden. Maar nu er de jongste tijd opnieuw extreem-rechtse sympathieën beginnen te ontstaan, ben ik het aan mezelf verplicht om vast te leggen wat ik heb meegemaakt, als illustratie van wat er kan gebeuren als de democratie ontspoort”.

Jef weet ook wel dat zijn cassette de wereld niet gaat veranderen, maar in eigen familiekring zal zijn stem tenminste worden gehoord. “ Ik heb het vooral gedaan voor mijn zes kinderen”, zegt hij. “ Maar ik heb ze er wel op voorbereid”.

En dat is maar goed ook, want niet alleen in ex-Joegoslavië en in Rwanda kan de mens moordenaar en beul worden. Vijftig jaar geleden gebeurde dat bij ons ook, niet publiek en zichtbaar voor iedereen, maar wel achter prikkeldraad en even wreed. In die tijd was Jef een jongeman die, net als zijn broers, in het verzet was gegaan. Hij was lid geworden van de Witte Brigade Fidelio en hij werkte in ploegverband voor de NMBS in het station van Leuven. Zijn leven kapseisde in de winternacht van 9 december 1943.

Uit de duiventil gehaald

“Die nacht hoorden we thuis nog net op tijd dat er een razzia werd uitgevoerd. Ik sliep op zolder en ik kroop snel een ladder op om met te verstoppen in het duivenhok. Die vluchtweg was al eerder voorbereid en gaf de mogelijkheid – mocht het ooit zo ver komen – om langs het dak te vluchten door enkele pannen weg te schuiven. Maar die onzalige nacht kon dat niet, ons huis was helemaal omsingeld. Ik hoorde mijn vader beneden schreeuwen en even later was er gestommel op de zolder onder mij. Alles werd afgezocht, tot in het graan toe. Het was afgelopen, ik werd uit het duivenhok getrokken en ik viel op de zoldervloer. Toen ik opkeek zag ik geen Duitsers, maar Vlaamse SS-ers. Ze hebben mij geslagen en in mijn buik getrapt omdat ik weigerde te zeggen waar mijn broers waren. Ik ben toen samen met mijn vader opgepakt en afgevoerd naar de Kommandantur in Leuven. Daar werd het mij snel duidelijk dat ik door iemand verraden was en dat het er de SS vooral om te doen was mijn broers te kunnen arresteren. Ik bleef me echter een tweede keer van de domme houden en ik werd opnieuw genadeloos geslagen. Wie sloeg weet ik niet, men had mij een masker opgezet. Op een bepaald moment hoorde ik echter een Vlaamse SS-er zeggen: “'t Is geen avance, er komt toch niets uit”. Zonder verdere plichtplegingen werd ik met nog andere gevangenen, en bewaakt door SS-ers, op een kamion gezet en naar het kamp van Breendonk gevoerd. Het kamp van Breendonk, ik had er nog nooit over gehoord.”

De hele dag rechtop staan

Jef Cockx heeft tot dan vlot en zonder hapering gesproken, maar nu zwijgt hij toch even en wordt het stil in het landelijke alleenstaande huisje in Bierbeek waar hij samen met zijn vrouw zijn oude dag slijt.

“Ik ben een gelovig mens”, vervolgt hij, “ik heb altijd vaal gebeden en daarin sterkte gevonden. Misschien komt het wel daardoor dat ik Breendonk heb overleefd. Maar dit kan ik u wel zeggen: na februari '44 kwamen Vught in Nederland en Sachsenhausen en Rathenau in Duitsland, maar Breendonk was veruit het ergste.

Breendonk was de hel. Ze wisten dat zelf ook. Toen ik en nog een aantal gevangenen werden ontslagen en op transport gesteld naar Vught, zie majoor Schmidt ons: “Ge gaat nu naar een beter kamp. Maar als ge het waagt één woord te zeggen over de toestanden in Breendonk, wordt ge terug naar hier gestuurd”.

Weer zwijgt Jef een tijdje, waarna hij over de hel begint te praten. “ Mijn vader heeft Breendonk gelukkig niet moeten meemaken. Hij mocht vanuit Leuven naar huis. Wij vormden een groepje van 10 mannen. We moesten al onze bezittingen en onze klederen – behalve het ondergoed – afgeven, waarna we een gevangenisplunje kregen. Op mijn jas stond het nummer 2488, evenals een rode driehoek – het herkenningsteken voor de politiek gevangenen. Ook was er een grote letter T aangebracht op het jasje, de T van Terrorist. Onze hoofden werden kaalgeschoren en omdat alle cellen voor de “zware gevallen” volzet waren, werden wij met zes tot zeven man in aparte verblijven opgesloten. Contact met anderen, die aan het werk werden gezet, was niet mogelijk. We werden afgezonderd, wij moesten de hele dag rechtop staan. Dat kan niet natuurlijk, dat is fysiek onmogelijk. Maar als wij betrapt werden omdat we gingen neerzitten of steun dochten werden we afgetuigd.

Bidden om te overleven

Nu hij eenmaal aan het praten is gegaan, komen tal van verschrikkelijke herinneringen weer boven. Hij lijkt ontspannen maar zijn vingers frommelen voortdurend met zijn lederen brillenkast.

“In mijn kamer zat onder meer de stichter van de Kommunistische Partij van België, Georges Van den Boom”, vervolgt hij. “ Hij was een groot mens en een voorbeeld voor alle gevangenen. Na een tijdje is hij met mij komen praten. “Ge zegt niet veel, ge zijt zo stil”, zei hij. Ik antwoordde dat ik mijn ellende probeerde te overwinnen door veel te bidden. “Dat is goed”, antwoordde hij. “Blijf dat doen en blijf ook zwijgen. Ook hier zijn er immers verklikkers”. Ik bleef in totaal drie maanden in Breendonk en ik werd nog twee keer ondervraagd. De eerste keer kreeg ik veel slaag, de tweede keer minder. Iemand zie toen: “Er is toch niets uit te krijgen”.

Acht dagen lager werd ik ontslagen en overgebracht naar het gevangenenkamp in Vught. Wel moet ik zeggen dat ik de folterkamer van Breendonk niet heb meegemaakt. Ik heb er wel mensen zien uitkomen. Dat waren wrakken, gebroken voor de rest van hun leven. Dat zij bekentenissen aflegden kan niemand hen kwalijk nemen. Ik herinner mij een jongen die in onze kamer gestorven is. Hij had na folteringen bekend een Duits officier te hebben doodgeschoten. Hij was verklikt door zijn vrouw, die een relatie had met een SS-officier. De aantijging bleek echter fout te zijn, niet hij had de Duitser gedood. Zijn bekentenis had dus geen enkele zin gehad maar wie gefolterd werd bekende om het even wat. Het kampcommando besloot de jongeman als arbeider naar Duitsland te sturen, maar daar is hij nooit geraakt. Hij stierf op 23 december 1943”.

Jef Cockx toont ons voorzichtig een met de jaren verbleekt foto-album met als titel: 'Ter nagedachtenis van onze gefussilleerden van Leuven en omliggende gemeenten'. “ Dat boek heeft voor mij heel veel waarde”, zegt hij met een stille stem, “ ik ben de mensen die hierin staan heel genegen. Allemaal doden, tientallen en tientallen”.

Bladzijde na bladzijde draait hij om. Even aarzelt hij en wijst dan naar het portretje van een jongeman. “Die jongen heeft 48 verzetsmensen verraden”, zucht hij. “Dat is erg, maar het is zijn fout niet. Folteringen kunnen zo onmenselijk wreed zij dat alle zekeringen doorslaan”. Hij bergt het boekje weer op en toont ons het enige 'souvenir' uit zijn gevangenisleven, het plunje dat hij droeg in Rathenau, van 15 september 1944 tot 27 april 1945, de dag van zijn bevrijding. Het gerafelde vestje is grijs van kleur, met blauwe strepen. Het nummer dat er op staat kent hij nog van buiten: 98.951.

Gerookte haring als kerstgeschenk

“ In Rathenau werkten we in een vliegtuigfabriek, we sliepen 500 meter verder in barakken, in een groot korenveld. We werden bewaakt door oudere Duitsers onder wie er ook vriendelijke mensen waren die ons geen kwaad hart toedroegen. Op 't laatst van de oorlog waren wij niet veel meer dan wat vel over het been en we leden erg veel kou in onze lompen”.

Maar dat was niets in vergelijking met Breendonk. “En waarover ik nog niet heb gepraat is de honger die ons verteerde”, vervolgt hij. “Wij kregen iedere dag een klein stukje brood met soms wat marmelade op en wat gekleurd water erbij dat koffie verbeeldde. 's Middags was er water met kool, maar dat water was gelukkig heet want het was een koude winter. Solidariteit onder de gevangenen was er niet – ieder voor zich, iedere dag opnieuw. Ik heb ooit stukjes hout van mijn kast opgegeten”.

En plotseling lacht hij en komt er zelfs een sluwe uitdrukking in zijn ogen als hij terugkijkt op Kerstmis '43. “Die dag kwam er een gift van Koning Leopold, een gerookte haring voor iedere gevangene. Dat was ons Kerstpakket. Er waren toen nieuwe gevangenen toegekomen en die aten de kop en de graten niet op, ze gaven ze aan ons. Er waren 17 gevangenen, dus 17 haringkoppen en graten extra...”.

Geen amnestie

Dit alles is een halve eeuw geleden, sindsdien is de wereld kompleet veranderd en de oude vijand is nu een sterke bondgenoot geworden. “Met de jaren heb ik afstand genomen van de gruwel”, zegt Jef Cockx, “al komen die beelden nog steeds terug als ik soms moeilijk in slaap geraak. Ik ben ook in Breendonk teruggeweest en ik kan het aan. In dit jaar van de herdenking van de Bevrijding staat Breendonk opnieuw op het programma, en soms praat ik zelfs over de oorlog zoals nu met u. Ook Duitsland heb ik inmiddels weer bezocht. Ik heb geen haat tegenover de Duitsers. De jongeren van nu treft geen schuld en vele ouderen werden misleid”.

Of hij dan misschien gewonnen is voor amnestie in eigen land, nu er dan toch zachte wenken in die richting zijn geweest door wijlen Koning Boudewijn, en nu door Koning Albert II?

Jef kijkt triest en geschrokken op, er komt een pijnlijke trek op zijn gelaat en hij heft de handen op in een afwerend gebaar.

“Ik ben zeker niet haatdragend, ik ben gelovig en vergevingsgezind, maar dat gaat te ver. De collaborateurs hebben toch de gelegenheid gehad hun fouten te erkennen, maar dat hebben ze niet gewild”. Hij schudt het hoofd, bijna als een excuus. “'t Is spijtig misschien, maar amnestie? Algemeen eerherstel? Neen, in geen geval”. Jef voelt zich wat gegeneerd en schakelt maar gauw weer over op zijn gevangeniservaringen. Op Breendonk. Daar ligt de reden van zijn amnestie-afwijzing. De wonde is te diep geweest.

Verantwoording

Bovenstaand interview werd afgenomen door journalist Johan Staes voor het maandblad 'Onder Ons' nr. 350 (juni 1994). Het verscheen in het boek 'De bevrijdingsstoet van Lovenjoel 1945' van Julien Piron, een uitgave in 1995, exact 50 jaar na de bevrijding. Wij danken Julien Piron voor zijn toelating. De foto's van Jef zijn ons bezorgd door zoon Jos, waarvoor onze dank.

Enkele begrippen verduidelijkt:

  • amnestie: betekent letterlijk 'vrijstellen of herroepen van rechtsvervolging': de gestrafte wordt hierdoor volledig onschuldig verklaard. Amnestie is dus verschillend van 'gratie' en 'seponering', waarbij de schuld wél vaststaat maar geen vervolging volgt. Amnestie was decennia lang een symbooldossier van de Vlaamse Beweging, die vond dat er na de Tweede Wereldoorlog een aantel Vlaamsgezinden onterecht vervolgd en veroordeeld werden voor collaboratie. Overigens hadden de meeste veroordeelden toen al individueel 'gratie' aangevraagd … en gekregen.

  • collaborateurs: Belgische burgers en militairen die samenwerkten met de Duitse bezetter. Hun motieven waren allerhande: er was de administratieve collaboratie (door oorlogsburgemeesters) ; de economische collaboratie (wie in Duitsland ging werken, maar ook grote bedrijven die voor de Duitsers werkten) ; de ideologische collaboratie door o.a. de Rex-beweging (Leon Degrelle), het Vlaams Nationaal Verbond of VNV (Staf De Clercq), Verdinaso (Joris Van Severen) en De Vlag (Jef Vandewiele) ; tot slot was er de militaire collaboratie: wie zich vrijwillig liet inlijven bij de Vlaamse SS of naar het Oostfront ging vechten (Vlaams Legioen of Regiment Wallonie).

  • ex-Joegoslavië en Rwanda: in 1995, wanneer het interview afgenomen werd, vonden diverse burgeroorlogen plaats in de Joegoslavische ex-republieken Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Servië en Macedonië. In het Midden-Afrikaanse land Rwanda, vroeger een Belgische kolonie, had in april 1994 de genocide plaatsgevonden waarbij bijna 1 miljoen Rwandezen stierven. In de beide burgeroorlogen lagen extreem-rechtse, nationalistische en racistische overtuigingen aan de grondslag van geweld tegen burgers en gruwelijke moordpartijen.

  • Georges Van der Boom (1897-1978): stichter van de Kommunistische Partij van België in 1921, provincieraadslid van Brabant vanaf 1925.

  • Koning Leopold (III) (1901-1983): vierde Koning der Belgen van 1934 tot 1951, bleef na de capitulatie van België gevangen in het paleis van Laken. Hij leefde in onmin met de Belgische regering in Londen, had een omstreden gesprek met Hitler (november 1940) en huwde met Liliane Baels in december 1941. Hij werd samen met zijn gezin gevangen gezet in Duitsland en verbleef na de oorlog in ballingschap in Zwitserland, terwijl zijn broer Karel Prins-Regent werd. Na een referendum en de zgn. 'Koningskwestie' besliste hij op 10 augustus 1950 zich te laten opvolgen door minderjarige zoon Boudewijn. Deze werd in 1951 de vijfde Koning der Belgen.

  • Vlaamse SS: het letterwoord SS staat voor 'SchutzStaffel': dit was de paramilitaire groepering van de nazi-partij (en maakte geen deel uit van het Duitse leger). De Vlaamse SS werd op initiatief van de SS in 1940 opgericht door Ward Hermans en René Lagrou (allebei VNV-ers). Zij pleitten onomwonden voor een integratie van Vlaanderen in het Derde Rijk.

  • Witte brigade Fidelio: was een van de Belgische verzetsgroepen, in 1940 gesticht door Marcel Louette (Fidelio) uit Antwerpen. Zij waren meestal niet-militair actief: ze maakten anti-Duitse propaganda, organiseerden vaderlandslievende manifestaties op 21juli en 11 november, hielpen onderduikers en hadden als enige verzetsbeweging goede contacten met de Belgische regering in London.

  • Partizanenleger: andere verzetsbewegingen waren het 'Geheim Leger', vooral bestaande uit ex-beroepsmilitairen. Ondanks een aantal strubbelingen met de Belgische regering speelden zij een belangrijke rol bij de (gewapende) voorbereiding van de bevrijding van België. De grootste verzetsorganisatie was het 'Onafhankelijkheidsfront', dat aanleunde bij de Kommunistische Partij van België en bestond uit diverse fracties waaronder het 'partizanenleger'. Zij ondernamen directe acties zoals vernielingen van spoorwegen en infrastructuur, overvallen, brandstichtingen, het neerschieten van collaborateurs, enz.

Meer lezen
  • Johan Staes in het maandblad 'Onder Ons' nr. 350 (juni 1994).
  • Julien Piron: De bevrijdingsstoet van Lovenjoel 1945, eigen uitgave 1995. 

Samenstelling: Liebrecht Salen voor de Werkgroep Oorlog&Vrede Bierbeek met dank aan Jos Cockx.